Home

Memorandum 2019 VVBV

De Vlaamse revalidatiecentra voor drugverslaafden. Memorandum 2019.

Speerpunten voor een doeltreffende en kwaliteitsvolle Vlaamse Verslaafdenzorg

 

In deze tekst worden de meest actuele speerpunten van de gespecialiseerde drughulpverlening weergegeven, samen met aanbevelingen voor Vlaams beleid.



1. Inleiding

 


Het maatschappelijk debat over de drugproblematiek is vandaag de dag actueler dan ooit. De vele persberichten over dit onderwerp getuigen hiervan en illustreren ook de maatschappelijke relevantie.


In België dateert de drugwet van 24 februari 1921. Tijdens de volgende legislatuur in 2021 zal deze wet 100 jaar oud zijn. Ondanks wijzigingen werd de essentie van deze wet nooit veranderd. Een open en eerlijk  parlementair debat ten gronde dringt zich meer dan ooit op. Terwijl men de drughandel vaak vergeefs in een houdgreep tracht te nemen, behartigen de zorgverleners van de gespecialiseerde drughulpverlening al tientallen jaren het herstel van drugverslaafden en hun omgeving.


We zien belangrijke kansen en uitdagingen in de Vlaamse visie op een herstelgerichte verslavingszorg, ingekanteld in de brede geestelijke gezondheidszorg. Het verhogen van de kennis en expertise binnen de geestelijke gezondheidszorg moet leiden tot minder exclusie van drugverslaafden. Blinde vlekken binnen ambulante drughulp moeten worden weggewerkt. Destigmatisering van de doelgroep door het bijsturen van de beeldvorming rond verslaving is cruciaal voor een vlotte inkanteling. Een correctere verloning voor psychiaters en betere geïntegreerde behandelingen van comorbide psychiatrische aandoeningen zijn slechts enkele van de aanbevelingen die we in dit memorandum doen.


De Vlaamse Vereniging Behandelingscentra Verslaafdenzorg is de koepelorganisatie van alle vroegere RIZIV geconventioneerde centra die als revalidatiecentra voor toxicomanie erkend waren onder de RIZIV code 773. Deze centra werden administratief nog een periode door het RIZIV beheerd maar zijn sinds  januari 2019 effectief onder voogdij van het Vlaams agentschap Zorg en Gezondheid. De VVBV groepeert en behartigt de belangen van deze 11 verschillende organisaties, verspreid over Vlaanderen. De centra bieden zowel ambulante als residentiële zorg aan personen met problematisch middelengebruik en hun context.


Samen hebben deze 11 organisaties destijds 13 conventies met het RIZIV afgesloten. Jaarlijks bereiken ze ongeveer 10.000 verschillende personen en realiseren ze samen meer dan 155670 prestaties, (‘ligdagen’ in de residentiële settings en prestaties van één uur of één week in de ambulante centra). Dit ten belope van een totaal budget van 25.914.250 euro.


In totaal worden in deze voorzieningen 493 FTE personeelsleden tewerkgesteld: artsen, psychologen, pedagogen, maatschappelijk werkers, opvoeders, etc. Slechts 67% (330 FTE) van de loonkost van deze mensen wordt betaald door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid


De andere 33% wordt betaald via allerlei projecten en aanverwante subsidiëringen.


 

In deze tekst worden de meest actuele speerpunten van de gespecialiseerde drughulpverlening weergegeven, samen met aanbevelingen voor Vlaams beleid.


2. Hefbomen voor een vlotte samenwerking binnen de Geestelijke Gezondheidszorg

 

De aansluiting van de vroegere RIZIV geconventioneerde drughulpverlening bij de ruime geestelijke gezondheidszorg opende de weg naar een verrijking en verruiming van het totale zorgaanbod.

Grotere  zorgpartners moeten nu de bereidheid en de vaardigheid om met drugverslaafden aan de slag te gaan verder uitbreiden, zodat de GGZ als één geheel het herstel van verslaafden kan behartigen. Destigmatisering en deskundigheidsbevordering zijn hierin cruciale hefbomen om tot meer inclusie van de aanpak van de problematiek te komen.

Samenwerkingsverbanden binnen de regionale netwerken Geestelijke gezondheidszorg moeten verder geoptimaliseerd worden.  We sommen hieronder de belangrijkste hefbomen op die deze samenwerking kunnen bevorderen.

 

2.1      Waarborg van continuïteit van het hulpverleningsaanbod

 

Gespecialiseerde centra voor drughulpverlening zijn en blijven revalidatie inrichtingen, met een duidelijk afgebakende doelgroep en een therapeutisch - pedagogische eigenheid.  

Ze hebben een lange traditie van nauwe samenwerking met belendende sectoren zoals arbeid, justitie en algemeen welzijn. Een herstelgerichte focus, de inzet van ervaringsdeskundigheid en samenwerken in sectorale en intersectorale netwerken typeren hun unieke slagkracht. Net die eigenheid maakt dat ze al vele jaren vooruit zijn op hun tijd in het licht van de verwachtingen van de Vlaamse visie op geestelijke gezondheidszorg.

Om het brede opvangnet voldoende te blijven waarborgen is het van groot belang dat de bestaande werkingen in al hun diversiteit behouden kunnen blijven. 

 

“We pleiten voor waarborg van continuïteit van het bestaande, diverse en gespecialiseerde hulpverleningsaanbod. Het behoud van het vereiste basiswerk is  cruciaal. In elke regio is een minimaal aanbod aan basiszorg voor verslaafden”.

 

Terzelfdertijd maken gespecialiseerde centra drughulp volwaardig deel uit van alle regionale zorgnetwerken en zorgcircuits Geestelijke Gezondheidszorg. Zij dragen in deze netwerken onder meer bij aan het verder uitbouwen van continuïteit in de zorgpaden van cliënten.

Veel cliënten maken op een bepaald moment de keuze om letterlijk afstand te nemen van het drugmilieu en buiten hun regionaal hulpverleningsnetwerk een beroep te doen op zorg. Dit is zeer eigen aan de problematiek en vaak een belangrijke stap in het herstelproces.  

 

“Supraregionale inbedding van gespecialiseerde drughulp is een belangrijk gegeven voor veel cliënten. De keuzevrijheid om buiten het regionaal netwerk behandeling te krijgen moet blijven bestaan”

 

De Vlaamse revalidatiecentra voor verslavingszorg moeten ook meer algemeen  passen in een  globaal beleid gericht op alle middelen en alle vormen van gedragsverslaving dat vertrekt vanuit een welzijns – en gezondheidsperspectief en waarbinnen er geen onderscheid is tussen legale en illegale middelen.

 

2.2       Inhoudelijke aanpassingen van de conventies

Om ons gespecialiseerd aanbod te kunnen afstemmen op beleidsdoelen binnen de Geestelijke Gezondheidszorg zoals geïntegreerde en herstelondersteunende zorg moeten inhoudelijke aanpassingen van de conventies nu snel mogelijk worden met allereerst een verruiming van vergoedbare prestaties.

Het besluit van de Vlaamse Regering over de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 opent de weg om onze conventies deze nodige aanpassingen te geven.

In het bijzonder denken we aan de restricties van de huidige DSM IV codes waaraan cliënten moeten beantwoorden om in aanmerking te komen voor behandeling. Deze bepaling vertrekt vanuit een eenzijdig pathologie denken dat ons inziens niet past in het Vlaams gezondheidsbeleid. De noden en vragen van cliënten en hun context moeten primeren, niet het type product of verslaving.

Ook het uitsluitend werken met context (ouders, partners,..) moet vergoedbaar worden binnen een regelgevend kader.

 “Bestaande en verouderde restricties in de conventies, zoals onder meer de omschreven doelgroepen, moeten aangepast worden in functie van actuele zorgnoden”

 

 

Daardoor wordt het voor mensen met bijvoorbeeld een verslaving aan legale middelen zoals alcohol, medicatie of gedragsverslavingen en ook hun context mogelijk om een beroep te doen op een aanbod binnen de revalidatiecentra voor drugverslaafden.

 

 2.3     Exclusiecriteria in de Geestelijke Gezondheidszorg

Ondanks de inkanteling blijven misbruik en verslaving aan illegale middelen nog té vaak een tegenindicatie voor toegankelijkheid van zorg, zowel in de ambulante als in de residentiële geestelijke gezondheidszorg.

“Het aanbod binnen de algemene GGZ moet zich meer aanpassen aan de behoeften van de doelgroep. Blijvende sensibilisering en deskundigheidsbevordering van alle betrokken actoren is hierin cruciaal.”

2.4       Gedeelde trajecten tussen revalidatievoorzieningen

Geïntegreerde zorg en het bewaken van continuïteit van zorg worden bemoeilijkt door het huidig verbod op gedeelde trajecten. Meer en meer is het aangewezen dat verschillende zorgvoorzieningen met een revalidatieconventie een gelijktijdig  aanbod kunnen doen aan cliënten in één lopende zorgperiode. Ambulante begeleidingen opstarten terwijl cliënten in de laatste fase van een opname zitten, samenwerkingsverbanden tussen activeringstrajecten en ambulante drughulp, psychosociale revalidatie kunnen combineren met ambulante drughulp, enz..

 

Om meer integratie en continuïteit van zorg te waarborgen is een regelgevend kader nodig waarbij parallelle zorgtrajecten binnen voorzieningen met een revalidatieconventie mogelijk worden”.

 

2.5         Zorgvermarkting

Wanneer een overheid, overigens zeer terecht, verwacht dat voorzieningen de handen in elkaar slaan in de vorm van zorgnetwerken met als doel om de kwaliteit en continuïteit van zorg voor patiënten te bevorderen kan diezelfde overheid niet toestaan dat deze zorgaanbieders met elkaar gaan concurreren. Deze internationale tendens van zorgvermarkting die zich in de afgelopen jaren ook in ons land meer en meer deed gelden is een te betreuren evolutie.

We willen benadrukken dat deze maatschappelijke trend van ‘tendering’ of publieke aanbestedingen van private opdrachten ons inziens haaks staat op de filosofie van zorg aangeboden in de vorm van netwerken. Hoewel het zorgaanbieders kan aanscherpen in hun beleid en aanbod, wijzigt het tegelijk ook de verhoudingen tussen instellingen op een kwalijke manier.

 

“Commerciële instanties dienen uitgesloten te worden van aanbestedingen in de zorg.”

 

2.6            Generalistische basiszorg en gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg

 

Herstelgerichte zorg bij ernstig problematisch middelengebruik vraagt een specifieke inhoudelijke expertise.  De problematiek is vaak complex, multifactorieel en gaat gepaard met een langdurig, al dan niet meermaals onderbroken, zorgproces.

Vlaanderen toont een duidelijke appreciatie voor hulpverleningsvormen die de gespecialiseerde drughulp in de afgelopen jaren heeft uitgebouwd om tegemoet te komen aan deze complexiteit. Enkele  voorbeelden van initiatieven die men als ‘good practice’ beschouwt zijn onder meer de diverse projecten opvoedingsondersteuning bij druggebruikende ouders, de intensieve ambulante behandelprogramma’s voor cocaïneverslaafden, enz.

 

Specifieke projectwerkingen die hun nut bewezen hebben dienen voorzien te worden van structurele financiering om ze te verankeren in de reguliere werkingen. De tendens om de uitvoering van deze projecten een plaats te geven in de regionale netwerken geestelijke gezondheidszorg zet een hypotheek op de beschikbare hulpverleningscapaciteit naar onze doelgroep”

 

TANDEM is hier een goed voorbeeld van. Het betreft de uitbreiding van het vroegere CAP, het centrale aanmeldpunt voor gedetineerde verslaafden. Men koos hier voor een uitbreiding van de doelgroep, namelijk alle gedetineerden met hulpvragen rond geestelijke gezondheidszorg, maar de middelen om dit te doen bleven hetzelfde. Dit resulteert in een feitelijk verlies van hulpverleningscapaciteit voor onze sector. Dezelfde ‘verdunning’ van feitelijke middelen bedreigt nu ook het forensisch project ‘Gerechtelijke Alternatieve Maatregelen’  waardoor hulpverleningscapaciteit voor deze belangrijke doelgroep onder druk komt[1].  

 

2.7     Een andere kijk op verslaving

 

Het stigma dat rust op de problematiek van verslaving is een belangrijk gegeven dat verstrekkende maatschappelijke gevolgen heeft. De negatieve beeldvorming bij verslavingsproblematieken is groter dan bij andere psychische aandoeningen zoals depressie of psychose en het belemmert het herstel van patiënten.

 

Grootschalige beeldvormingsprojecten zoals Te Gek!? hebben in de afgelopen jaren een belangrijke wijziging teweeggebracht in de manier waarop onze samenleving kijkt naar en omgaat met mensen met psychische problemen.

Een cruciaal ingrediënt van een succesvolle inkanteling van de zorg voor verslaafden in de geestelijke gezondheidszorg is een geleidelijke bijsturing van de kijk op verslaving. Een gewijzigd collectief maatschappelijk beeld draagt bij tot een breed draagvlak voor de zorg voor deze doelgroep met vaak moeilijke gedragskenmerken. 

We moedigen aan om deze beweging van destigmatisering impuls te geven en zijn bereid hierin verantwoordelijkheid te nemen.

 

3. Een groeipad voor de drughulpverlening

 

Nu het RIZIV sinds 1 januari 2019 de facto geen rol meer speelt en vervangen wordt door een Expertencommissie en sectorale adviescommissie is de VVBV hoopvol over het verder aanpakken van de groeinoden voor de drughulpverlening.

 

Het VIA5 akkoord met daarin de toekenning van 600.000 € voor de revalidatiecentra toxicomanie opent nu wel de weg om deze noden stelselmatig en in volgorde van belangrijkheid aan te pakken.

 

 

“Twee ambulante werkingen,  in de Westhoek en het MSOC Vlaams Brabant, staan op dit moment erg wankel in hun schoenen en hebben structurele versterking broodnodig om te kunnen blijven bestaan”.  

 

Ook dient de uitbreidingsaanvraag van De Kiem, die al dateert van 2003, voor de  uitbouw van een ambulant aanbod in de regio Zottegem – Ninove, te worden uitgevoerd.

 

Het zuiden van de provincie Antwerpen, meer bepaald de Rupelstreek,  kent een belangrijke leemte in de aanbodzijde gespecialiseerde ambulante drughulp. De meest precaire blinde vlek daar is de gemeente Boom. De revalidatieconventie verbonden aan vzw Free Clinic heeft hier de ambitie om, in samenwerking met de andere  partners in de regio met een revalidatieconventie, zijnde De Sleutel en ADIC, een gespecialiseerd aanbod ambulante drughulp uit te bouwen.

 

De VVBV is tevreden dat deze eerste en meest prangende knelpunten hopelijk op relatief korte termijn kunnen worden aangepakt. Terzelfdertijd willen we er op wijzen dat de groeibehoeften groot zijn geworden, veel groter dan de toegekende middelen.

 

“We besteden met een uitbreiding van 600.000 € in feite een tekort en roepen op om het groeipad nu te blijven volgen en dit in volgorde van prioriteit”.

 

Een verdere oplijsting van de noden in de aanbodzijde gespecialiseerde ambulante drughulp[2]:

 

Overige blinde vlekken in de aanbodzijde ambulante drughulp in Vlaanderen:

 

Eeklo – Maldegem – Zelzate

De eerstvolgende blinde vlek en  prioritaire ambitie is om in Eeklo en Zelzate een ambulant gespecialiseerd aanbod uit te bouwen vanuit het Dagcentrum De Sleutel en het MSOC Gent. Een belangrijk hiaat zou zo gedicht kunnen worden tussen de enkele vroeginterventie initiatieven die er nu zijn enerzijds en de residentiële mogelijkheden anderzijds. Nu lopen vele opgestarte trajecten dood door het gebrek aan ambulante drughulpverlening.

 

 

Dilbeek – Aarschot

Voor Dilbeek is het dichtst bijzijnde ambulante aanbod drughulp van vzw De Spiegel gelegen in Asse. Gezien de kwetsbaarheid van de doelgroep is deze afstand vaak een te grote drempel. Voor Aarschot merkt het MSOC Vlaams Brabant al enkele jaren op dat in de ankerpunten van Diest en Leuven het aantal aanmeldingen van mensen uit Aarschot stelselmatig toeneemt.

 

 

Deinze Tielt

De Kiem en Kompas willen voor deze ruime regio met hoge criminaliteitscijfers de krachten bundelen om er voor te zorgen dat druggebruikers in hun buurt terecht kunnen voor ambulante hulpverlening.

 

Sint-Niklaas – Lokeren

Het MSOC van Gent is in deze regio aanwezig en wil zich inzetten om bestaande antennes in Lokeren, Sint-Niklaas en Zele te bestendigen en onderzoeken waar bijkomende samenwerking wenselijk is in de driehoek Gent – Sint Niklaas - Aalst

 

Dendermonde

De Sleutel had hier ooit een ambulant aanbod met middelen Gerechtelijke Alternatieve Maatregelen maar dat is stopgezet. De Sleutel heeft contact met lokale partners om een nieuwe samenwerking uit te bouwen.

 

Wuustwezel – Kalmthout – Essen

In het noorden van de provincie Antwerpen, meer bepaald de regio Wuustwezel, Kalmthout en Essen is er geen ambulant aanbod voor drughulp aanwezig.

 

 

Naast deze resterende blinde vlekken in de aanbodzijde gespecialiseerde ambulante drughulp zijn er in de loop der jaren ook belangrijke zorgnoden ontstaan in de residentiële opvang, in het bijzonder voor wat betreft crisisopvang en nazorg.

In Vlaanderen is er maar één plaats waar mensen met een complexe en ernstige verslavingsproblematiek snel de gepaste crisisopvang kunnen krijgen: het zorgprogramma van ADIC in Antwerpen. Op termijn dient voor dit zeer specifieke aanbod een uitbreiding worden voorzien met meer regionale spreiding.

 

In het kader van een goede re-integratie in de samenleving van mensen die een langdurig residentieel traject hebben gevolgd wordt er voorzien in een residentiële nazorgfase. Het aantal maanden dat binnen de verschillende revalidatieconventies is erkend voor deze belangrijke behandelfase verschilt echter tussen de instellingen. Dit beantwoordt niet aan de realiteit en de noden van cliënten die deze (na)zorg nodig hebben. Een betere regeling dringt zich op.

 

“De residentiële behandelcentra hebben nood aan een regeling conform de principes beschut wonen om initiatieven te kunnen nemen voor de uitbouw van een sterker nazorgtraject en zodoende de behandelwinst te kunnen borgen. “

 

 

Een residentiële behandeling is één onderdeel van een veel breder zorgpad dat een cliënt doorloopt. Naast een betere spreiding en capaciteitsuitbreiding moet het voorgestelde groeipad het voorzieningsgericht denken nog meer loslaten en investeren in schakelfuncties die trajecten met elkaar kunnen verbinden, zowel binnen de gespecialiseerde drughulp als in verbinding met bredere GGZ.

 

Zeker het bieden van gecoördineerde hulp bij complexe en langdurige verslavingsproblematieken is erg  belangrijk om zo doeltreffend mogelijk te werken. Die specifieke coördinatie is een functie die de vroegere provinciaal netwerkcoördinator middelenmisbruik onder meer opnam.  Het verdwijnen van deze persoonsgebonden provinciale bevoegdheid dreigt een belangrijke lacune te creëren. Een regionaal verankerd zorgcircuit middelenmisbruik blijft een krachtig werkinstrument.  

 

“Minstens dient men te overwegen om het werkmodel van casemanagement per provincie uit te bouwen. Casemanagers binnen de verslavingszorg maken hulp vlotter toegankelijk en verbinden zorgpaden die anders los van elkaar plaats vinden.”

 

Binnen het groeipad is tot slot ook voor minderjarige druggebruikers bijzondere aandacht nodig. Zij vormen een complexe groep en zijn tot op heden té weinig aan bod gekomen in de verslavingszorg. Het is een doelgroep die zeer moeilijk te bereiken is, terwijl snel ingrijpen net heel belangrijk is om erger te voorkomen. Ze vergen ook een heel specifieke aanpak en vragen speciale teams die gespecialiseerd zijn in deze problematiek en die verankerd zijn in de netwerken gericht naar minderjarigen (jongerenwelzijn, VAPH, integrale jeugdzorg, OCJ’s en jeugdrechtbanken, onderwijs ….).

“Op korte termijn is er voor minderjarigen vooral nood aan gespecialiseerde crisisopvang met mogelijkheden voor detox en aan een gespecialiseerd en aanklampend semi-residentieel aanbod.”

In dit multidisciplinair aanbod voor minderjarigen moet ruimte zijn om intensiever te werken dan de klassieke gesprekstherapie. Vooral het betrekken van de volledige context (ouders, school, voorziening BZJ…) en het aanvullend gebruik van niet verbale methodieken is hierin cruciaal.

 

4.    Speerpunten in de financiering van de gespecialiseerde drughulp[3]

De huidige werking van de gespecialiseerde centra die nu onder Vlaamse bevoegdheid vallen, werden voordien voor slechts voor 67% gefinancierd door het RIZIV. De overige 33 % is afkomstig van diverse andere bronnen: Sociale Maribel, Gerechtelijke Alternatieve Maatregelen (Justitie), Strategische Veiligheids – en preventiecontracten (Binnenlandse Zaken), steden en gemeenten, DAC, Gesco, Vlaamse gemeenschap,..Deze versnippering van fondsen creëert veel onzekerheid binnen de voorzieningen en dit reeds gedurende vele jaren.

“Harmonisering en structurele verankering van versnipperde subsidiestromen moet een belangrijke plaats krijgen in een Vlaams regelgevend kader.”

 

4.1        Co-financiering  FOD Binnenlandse zaken

 

“Een zeer prangend, en ondertussen meer dan 20 jaar oud knelpunt zit in de co- financiering vanuit  het Ministerie van Binnenlandse Zaken”.

 

In 1997 werden, in uitvoering van het Federale Actieplan toxicomanie-drugs (1995, Dehaene) de MSOC’s opgericht, Medisch Sociale Opvang Centra. Bijzonder aan deze ambulante centra was het systeem van ‘co-financiering’.

 

De regering heeft toen beslist dat de ziekteverzekering enerzijds en het toenmalige Ministerie van Binnenlandse Zaken anderzijds elk een deel van de personeel – en werkingskosten van deze MSOC’s zouden vergoeden voor de realisatie van de revalidatieactiviteiten die in hun conventie met het RIZIV voorzien waren.

Het RIZIV berekent in het kader van de overeenkomst de totale jaarenveloppe van de voorziening en trekt daarvan het bedrag af dat door Binnenlandse Zaken wordt vergoed.

Het resterende bedrag wordt door de ziekteverzekering vergoed via de forfaitprijzen die de MSOC’s kunnen aanrekenen aan de verzekeringsinstellingen. 

Er zijn in het totaal ongeveer 30 medewerkers van deze laagdrempelige centra tewerkgesteld in de huidige Vlaamse  Revalidatiecentra.

Bij deze federale bevoegdheden stellen zich in hoofdzaak drie belangrijke problemen.

Ten eerste is er al vele jaren onduidelijkheid van verderzetting van deze financieringsbronnen. Met telkens een verlenging per jaar of per 2 jaar, verbonden aan de overeenkomsten met bepaalde steden, wordt er veel onzekerheid gecreëerd inzake tewerkstelling met als gevolg dat personeelsleden vaker afhaken en geneigd zijn een job met meer werkzekerheid te zoeken.

Ten tweede bleven deze financieringsmiddelen sinds de start ongewijzigd, wat de facto door de loonstijgingen (index en anciënniteit) een voortdurende afkalving van de inzet van dit personeel betekende.

Ten derde: deze middelen uit de co-financiering maken deel uit van de realiseerbare facturatiecapaciteit van elk MSOC. Dus indien deze co-financiering zou wegvallen,  betekent dit de facto een afbouw van de begeleidingscapaciteit van elk MSOC in Vlaanderen à rato van het te realiseren quotum vergoedbare prestaties per getroffen personeelslid.

 4.2        Gerechtelijke Alternatieve Maatregelen (G.A.M)

 Binnen het Globaal Plan zijn er sinds eind 1996 een aantal specifieke projecten uitgebouwd die zich exclusief richten naar druggebruikers die in contact komen met justitiële instanties en met vervolging of straf worden bedreigd.
Deze projecten worden gefinancierd door de FOD Justitie. De hulpverleners worden ofwel tewerkgesteld door de gemeentelijke overheid en gedetacheerd naar de gespecialiseerde hulpverlening ofwel rechtstreeks aangeworven door de voorzieningen.
 De ‘controle’ gebeurt door de Justitiehuizen.

 

Het betreft in Vlaanderen ongeveer 25 voltijdse medewerkers.

 

Deze contracten voorzien in een geplafonneerde financiering van de loonkost. De GAM contracten zijn begrensd tot € 41.892,71 voor een bachelor en € 59.547,28 voor een master. Daarnaast is er een bedrag  voor werkingsmiddelen voorzien van 5000 euro per FTEQ

Deze kost is vandaag de dag al ruim onvoldoende om het loon van een medewerker met 0 jaar anciënniteit te betalen. Idealiter zou men hier een convenant opmaken tussen het federale niveau en de verschillende vzw’s met een prestatieverbintenis.

 

 

4.3      Investeren in outreach en schakelfuncties

 

 

De financieringstechniek van de destijds opgestelde revalidatieconventies, hoewel op veel vlakken goed werkbaar, strookt niet met het veranderende hulpverleningslandschap in Vlaanderen. Het laat onvoldoende toe om te werken volgens de geest van de Vlaamse conceptnota verslavingszorg en houdt onze medewerkers te veel gevangen in de eigen voorziening.

 

“Hulpverleners kunnen binnen de financieringsrestricties verbonden aan de letter van hun conventie ruim onvoldoende inspelen op het veranderde hulpverleningslandschap”.

 

 

In de conceptnota verslavingszorg wordt voorzieningsgericht denken overstegen en vormen de zorgpaden van cliënten in regionale hulpverleningsnetwerken de te volgen essentie. 

 

Continuïteit in deze zorgpaden bevorderen noodzaakt dan ook een veel flexibelere vorm van het vergoeden van prestaties en het inzetten van extra personeel om deze verbindende opdrachten te doen.

 

Bovendien heeft ongeveer 30% van onze cliënten een slechte therapietrouw. In combinatie met de vereiste bezettingsgraad zorgt dit voor een erg hoge werkdruk bij onze medewerkers. Meer en meer worden ook aanklampende en outreachende hulpverleningsvormen gehanteerd om mensen die zorg nodig hebben maar ze structureel ontwijken toch voldoende te bereiken (huisbezoeken, straathoekwerk, gevangenisbezoeken, toeleiden naar andere diensten, enz..).

 

Ook het, aanvankelijk uitsluitend, werken met de context van cliënten (ouders, siblings,..) wint aan belang[4]. Deze mensen mogen niet gereduceerd worden tot ondersteuningsfiguren  of mantelzorgers bij de aanpak van een verslavingsproblematiek.

 

Voor elk opgestart zorgtraject moet in rekening worden gebracht dat er minstens 1 à 2 mensen uit de directe context kampen met ernstige psychosociale stress. De opvang en begeleiding van deze mensen moet vergoedbaar gemaakt worden.  

  

“We roepen op om, binnen de bepalingen van het overnamedecreet, het financieringskader voor de revalidatiecentra toxicomanie aan te passen met toepasbare en correcte prestatievergoedingen voor outreach, netwerkoverleg, schakelfuncties, casemanagement, enz..

 

Bijkomende forfaitaire betoelaging om het nodige personeel hiervoor aan te werven en een correctere sessieprijs voor deze prestaties kunnen een eerste aanzet zijn om deze trend te steunen en de hoge werkdruk te verlichten.”

 

 

4.4        Investeren in deskundigheidsbevordering

 

Omwille van stigmatisering en gebrek aan deskundigheid met betrekking tot een afhankelijkheidsproblematiek worden cliënten vaak de facto te snel verwezen naar gespecialiseerde drugzorg.

 

Medewerkers investeren  meer en meer tijd in overleg met andere zorgpartners binnen de netwerken geestelijke gezondheidszorg. Daardoor komt onze sector ook vaker op de voorgrond met een consultfunctie ten opzichte van andere hulpverleners en teams. Er is een groeiende nood aan acties die de kennis en deskundigheid met betrekking tot verslaving versterken bij meerdere zorg en hulpverleningsactoren. Mogelijke vormen die de deskundigheid van praktijkwerkers kunnen verhogen zijn liaison, consult, intervisie, coaching, vorming, wisselleren, enz.

 “Investeren in het versterken van kennis en deskundigheid met betrekking tot verslaving bij andere hulpverleningsactoren is een andere manier om naar capaciteitsuitbreiding van de zorg voor verslaafden te kijken.”

 

 

4.5        Toegankelijke zorg voor alle cliënten

 

Het financieringssysteem en meer bepaald de hoogte van de persoonlijke bijdrage van de cliënt mag de toegankelijkheid van de zorg op geen enkele manier bemoeilijken. Om gespecialiseerde drughulpverlening maximaal toegankelijk te houden binnen een Vlaams regelgevend kader pleiten we er voor dat ambulante hulp kosteloos blijft voor cliënten. Residentieel is een bijdrage per dag wel verantwoord, maar er moet over gewaakt worden dat een toekomstige Vlaamse residentiële behandeling voor cliënten niet duurder wordt dan een federale residentiële behandeling.

 

 

4.6        Inzet van ervaringsdeskundigen

 

 

De Vlaamse overheid verwacht, terecht, inzet van ervaringsdeskundigen in de zorg voor verslaafden.  Deze mensen starten bij aanwerving meestal met een aanzienlijke anciënniteitsachterstand.  

 

“Ervaringskennis, los van effectieve werkervaring, honoreren moet deel uit maken van een regeling om ervaringsdeskundigen een volwaardige plaats te geven binnen hulpverlenende teams”.  

4.7        Psychiaters

 

In de verslavingszorg heeft naar schatting 40-65% van de cliënten zowel een verslaving als één of meerdere andere psychische stoornissen. De algemene consensus is dat een geïntegreerde behandeling van verslaving en andere psychische stoornissen de voorkeur verdient boven opeenvolgende of parallelle behandelingen.

 

De wedden van psychiaters zijn binnen onze conventies gelijk aan die van omnipractici en kunnen niet concurreren met de loonbarema’s binnen de brede GGZ. Loonbarema’s voor psychiaters werkzaam binnen de Centra voor Ambulante Revalidatie zijn recent verhoogd met 25%.Hoewel dit voor de CAR’s een goede zaak is verzwakt dit onze positie nog verder in het inschakelen van deze belangrijke discipline.

 “We pleiten voor gelijktrekking van de verloningen van psychiaters binnen de GGZ. “

  

4.8       Faciliterende functies

Er dienen geleidelijk aan meer een meer staf en beleidstaken vervuld te worden die zich situeren binnen de transitie naar Vlaanderen. We denken hierbij aan BELRAI, IFIC, VIP², Kind Reflex, Vlaamse Zorginspectie, Suïcidepreventiebeleid, GDPR, enz.. Ook andere faciliterende functies zoals ICT en administratie zijn ruim onvoldoende voorzien in bestaande conventies, terwijl ook dit aspect van de werking een steeds groter belang en aandeel krijgt.

 “Er moet structurele financiering voorzien worden om in faciliterende functies klinisch personeel te ontlasten.”

  

De huidige realiteit op de werkvloer is dat het beleid van voorzieningen noodgedwongen hulpverlenend personeel moet inzetten om deze deelaspecten van hun werking mee te ondersteunen. Dit gaat ten koste van beschikbare tijd voor hun kerntaken.

 

5. Drughulpverlening en Justitie.

De uitvoering van de 6e staatshervorming, met de overheveling van bevoegdheden naar de gemeenschappen, biedt een unieke kans om in Vlaanderen de zorg voor druggebruikers in de gevangenissen te verbeteren.

 

De gespecialiseerde drughulp heeft een jarenlange traditie in de samenwerking met justitie. Ondanks de inspanningen van de wetgever om de drugwet uit 1921 te actualiseren met ruimere toepassingsmogelijkheden voor probatie verblijven er nog steeds heel wat problematische druggebruikers in de gevangenis.

 

 

5.1        Drughulpverlening buiten de gevangenis

 

 

 

Een uitsluitend repressieve aanpak reduceert problematisch druggebruik en druggerelateerde criminaliteit niet, wel integendeel. Het bemoeilijkt finaal de sociale re-integratie van verslaafden en moet veel meer dan nu als een ‘ultimum remedium’ worden gezien. Alternatieve sancties daarentegen hebben wel hun effect op het gebruik en de eraan gerelateerde wervingscriminaliteit.

 

Geïnspireerd op de Angelsaksische ‘drug courts’ is het Gentse project ‘Drug Behandelings Kamer’ (DBK) een goed voorbeeld van hoe een repressief beleid kan evolueren naar een zinvol alternatief. Hoewel dit project reeds 10 jaar loopt, positief geëvalueerd en internationaal aanvaard is staat het officieel nog steeds ‘in proef’. De toegewezen hulpverleners in Gent, en nadien ook in Antwerpen, dienen in een structureel financieringskader terecht te komen.

 

Van belang is dat niet justitieassistenten maar hulpverleners deze opdracht uitvoeren.

 Verder dient men, zoals eerder vermeld, bestaande alternatieven op vervolging zoals Alternatieve Gerechtelijke Maatregelen structureel te verankeren. Idealiter gebeurt dit via een convenant tussen Justitie en de verschillende vzw’s.

 

5.2        Drughulpverlening in de gevangenis

  

“Het tekort aan drughulpverlening binnen de gevangenismuren is een belangrijk pijnpunt in ons land. Versnipperde bevoegdheden en gebrekkige financiering  spelen hierin een belangrijke rol. “

  

5.2.1  Gedetineerden die kort gedetineerd zijn.

 Voor kort gedetineerden die voorafgaand aan hun detentie al drughulpverlening kregen dient maximaal te worden ingezet op de continuïteit van zorg. Elke vorm van cesuur in de hulpverlening moet worden vermeden. Minimaal dienen lopende substitutiebehandelingen worden voortgezet, met de mogelijkheid om dit steeds in een onderhoudsbehandeling te doen. Vorming en sensibilisering van gevangenisartsen kan nog resterende weerstand tegen substitutie op onderhoudsbasis beperken. Het uitwerken van een inhoudelijk steviger zorgbeleid voor drugverslaafde gedetineerden is aan aandachtspunt.

Om de terugkeer zo optimaal mogelijk te laten verlopen dient een korte detentie zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de gedetineerde te worden uitgevoerd. Dit laat het regionaal hulpverlenend netwerk toe een plan voor re-integratie uit te bouwen. Het noodzakelijke overleg dat daarbij komt kijken kan mogelijks gefinancierd worden als een multidisciplinair overleg voor psychiatrische patiënten. (K.B. van 27 maart 2012, B.S. 30.03.2012).

Zij die nog geen eerdere hulpverlening kregen kunnen een beroep doen op TANDEM, de voortzetting en uitbreiding van het vroegere Centrale Aanmeld Punt voor gedetineerde druggebruikers. Deze dienstverlening staat in voor de juiste oriëntatie naar het hulpverleningsaanbod dat het best past bij de noden van gedetineerden met een vraag naar hulp bij problemen met geestelijke gezondheid.

 Een korte detentie moet veel vaker een kans zijn voor mensen om hun probleembesef en motivatie aan te wakkeren.

 

 

“Kort gedetineerden moeten kunnen deelnemen aan een motivatie bevorderend hulpverleningsprogramma met inhoudelijk relevante thema’s”

 

 

 

De interventie bestaat uit 20 sessies over een periode van vier weken met als doel antisociaal gedrag en gedrag gelinkt aan drugmisbruik te verminderen[1].  De lokale drughulpverlening kan hierin een partner zijn voor de uitwerking van een dergelijk aanbod.Het aanbieden van dergelijk programma is een belangrijke aanvulling op het reeds aanwezige hulpverleningsaanbod in gevangenissen zoals onder meer het B.leave project in Ruislede en de drugvrije afdelingen in de gevangenissen van Hasselt en Brugge.

 

  

5.2.2    Gedetineerden die voor langere tijd gedetineerd zijn.


 

Voor zij die gedurende een langere periode gedetineerd zijn kunnen de krachten gebundeld worden door een combinatie te maken van de inbreng van de lokale drughulpverlening uit de vrije samenleving enerzijds en anderzijds het uitwerken van een gevangenis specifiek aanbod. Het oprichten van een antennepost van een MSOC of een dagcentrum in de gevangenis kan hier worden overwogen.

 

De drugvrije afdelingen in de gevangenissen van Hasselt en Brugge moeten als voorbeeld fungeren om een drugvrije afdeling in elke gevangenis te voorzien waar dit architectonisch haalbaar is.


Ook het uitbouwen van een ‘prison based’ therapeutische gemeenschap blijkt uit onderzoek een zeer zinvol initiatief.  Een recidivedaling van 50% kan behaald worden, mits voorzien wordt in voldoende nazorg en de vereiste fysieke afzondering van de rest van de gevangenis mogelijk is[2]

 

Om de vaak bruuske overgang tussen een lange detentieperiode en de vrijheid meer geleidelijk te laten verlopen wordt gedacht aan het organiseren van overgangsvormen die gedetineerden kunnen helpen bij een betere re-integratie in de samenleving. Een mogelijkheid is het inrichten van ‘tussenhuizen’ naar analogie met de tussenhuizen die bestaan na een verblijf in een therapeutische gemeenschap. Ook de initiatieven voor Beschut Wonen hebben nog uitbreidingmogelijkheden die benut kunnen worden binnen dit kader.

 

5.3        Randvoorwaarden


 

Gedetineerden die in het kader van een beperkte vrijheid of tijdens een uitgangspermissie zich willen laten begeleiden in een ambulant centrum doen dit op eigen kosten, zonder tussenkomst van de ziekteverzekering. Dit betekent in het bijzonder voor zij die beroep willen doen op de gespecialiseerde drughulp met revalidatieconventie een feitelijke exclusie van hulp.


 

“Vanuit het oogpunt van een uniforme verzekerbaarheid stellen we voor om voor gedetineerden een volwaardig statuut te voorzien binnen de verplichte ziekteverzekering. “


 

Met de goedkeuring van het Vlaams decreet hulp – en dienstverlening aan gedetineerden hebben alle betrokken Vlaamse actoren de opdracht gekregen om gedetineerden te ondersteunen. Het zorgaanbod van de gespecialiseerde drughulpverlening moet optimaal geïntegreerd worden met dat van andere actoren (bv. De diensten Justitieel Welzijnswerk van de centra algemeen welzijnswerk en de centra geestelijke gezondheidszorg) teneinde de resocialisatie van gedetineerden te bevorderen.

 

 


 

6. Diverse zorg in beweging

 

De gespecialiseerde drughulp heeft in de marge van de revalidatieconventies doorheen de jaren grote diversiteit opgebouwd in het aanbod. 

 

In Vlaanderen zorgt dit voor ruime keuzemogelijkheden voor cliënten en hun verwijzers om op zoek te gaan naar een aanbod dat aansluit bij hun noden en verwachtingen.

Sommige initiatieven zijn therapeutisch, andere hebben een meer pedagogische inslag en nog andere hebben een meer medische invalshoek. Er zijn initiatieven voor drugverslaafde ouders met kinderen, tewerkstellingsprojecten, zorg aan huis, enz.

 

In een gedifferentieerd palet van voorzieningen voor verslavingszorg hoort ook het aanbod van gebruiksruimtes. In een aantal steden in Vlaanderen is het probleem van druggebruik in de openbare ruimte met de daarmee gepaard gaande overlast een gegeven.

 

“Mits goede afweging en grondige afstemming met de lokale actoren is het installeren van een gebruiksruimte zeker te overwegen”.

 

 

Een gebruiksruimte kan fungeren als een ingangspoort voor die chronische druggebruikers die moeilijk de weg naar hulpverlening vinden of die mogelijk zijn afgehaakt. Contact houden met deze precaire groep is belangrijk om ernstige gezondheidsproblemen te kunnen monitoren.

 

 

 

Er zijn verschillende organisatorische vormen van gebruiksruimte mogelijk. Belangrijk is dat er bij de installatie voldoende regelgevend kader en omkadering voorzien wordt.

 

Een regelgevend kader moet ook meer algemeen de traditie  in het creatief inspelen op reële noden binnen onze doelgroep als sterkte blijven ondersteunen. Flexibel gebruik van budgetten om net op al die wijzigende trends en kwetsbare doelgroepen te kunnen inspelen is van groot belang.

 

Verschillende  overheden (federale overheid, gemeenschappen en gewesten) moeten hier oog hebben voor deze diversiteit en voldoende samenwerken om de juiste voorwaarden te  scheppen waarbinnen een vlotte financiering mogelijk wordt.

 

 

 

 

SPEERPUNTEN


  1. Een waarborg op het bestaande basisaanbod voor drugverslaafden.

  2. Supraregionale inbedding van drughulp als keuzemogelijkheid voor de doelgroep

  3. Aanpassingen van de revalidatieconventies in functie van actuele zorgnoden

  4. Investeren in deskundigheidsbevordering rond verslaving in de brede GGZ

  5. Parallelle zorgtrajecten bij revalidatievoorzieningen GGZ mogelijk maken

  6. Commerciële instanties uitsluiten van publieke aanbestedingen in de zorg

  7. Projectwerkingen structureel verankeren in de bestaande overeenkomsten

  8. Een snelle en stelselmatige uitvoering van het voorgestelde groeipad

  9. Verdere spreiding van het regionaal aanbod in ambulante zorg voor drugverslaafden

  10. Een sterker nazorgtraject bij residentiële behandeling

  11. In elke regio casemanagement voor verslaafden beschikbaar maken

  12. Harmonisering en structurele verankering van versnipperde subsidiestromen

  13. De onzekerheid als gevolg van tijdelijke verlengingen van subsidies wegwerken

  14. Forfaitaire betoelaging en/of ruimere sessievergoedingen voor outreachwerk

  15. Achterstand in anciënniteit van ervaringsdeskundigen wegwerken bij aanwerving

  16. Kosteloze ambulante zorg en betaalbare residentiële zorg

  17. Gelijke verloning voor psychiaters binnen de GGZ

  18. Structurele financiering van faciliterende functies zoals stafwerk, ICT en administratie

  19. Meer continuïteit in de zorg voor gedetineerden

  20. De verdere uitbouw van drughulp in de gevangenissen

  21. Volwaardig statuut voor gedetineerden binnen de verplichte ziekteverzekering

  22. Een debat mogelijk maken ter overweging van het installeren van gebruiksruimten

  23. Flexibel gebruik van budgetten om op wijzigende trends in te blijven spelen

     




[1] Zie www.dekiem.be (bij gevangeniswerking) voor meer informatie over het voorgestelde kort programma

[2] Zie www.dekiem.be voor een visietekst over de organisatie van een prison-based therapeutische gemeenschap voor drugverslaafden.  

[3] Zie document “de financiering van de RIZIV geconventioneerde revalidatiecentra drugs”, VVBV, juni 2016. Te verkrijgen op eenvoudig verzoek.

[5] Zie www.dekiem.be (bij gevangeniswerking) voor meer informatie over het voorgestelde kort programma

[6] Zie www.dekiem.be voor een visietekst over de organisatie van een prison-based therapeutische gemeenschap voor drugverslaafden.